HomeEnkele gedichtenPagina 14

JPEG (Deze pagina), 473.53 KB

TIFF (Deze pagina), 5.75 MB

PDF (Volledig document), 15.33 MB

VII. Gij vraagt den lieven schrik van stil ontroeren Q
Gelijk in de eerste zoelte van de zon j
De bloem zich opende in een zacht vervoeren
En 't maagdlijk blad de prille warmte won.
Gij streelt mijn handen die u vaag beroeren
Alsof gij nooit naar hunne streeling zon j
En ik de weelden die mijn bloed doorvoeren ‘
LI nimmer argeloozer zeggen kon.
Dat is voorbij : een avond is gekomen l
i Na heeten dag die ons verdorren deed. g
I Gij vraagt nog eens dat innig menschlijk schroomen
E Maar de vervulling was daarvoor te wreed. I
j Wij zijn verwelkt doch vonden gulden droomen
En 't oud verlangen in elkanders leed.
10 Q
i i
ä