HomeEnkele gedichtenPagina 14

JPEG (Deze pagina), 864.89 KB

TIFF (Deze pagina), 9.56 MB

PDF (Volledig document), 21.55 MB

een vierde stoet, die met zün nieuw gedruisch ·
zich bij de anderen voegt. ·t Geboomte maakt geruisch
en 1n de beek het water ruischt en zucht.
Al dit gedierte nu voert eene eendere maat
met vleugelen en voet, die op tot Adam gaat.
Het water en de wind, de aarde en de hemel
vangen dien maatslag aan, saam met het diergewemel
waarin de paren nu, bij duizenden te zaam
elkander minnen gaan en loven Godes naam.
En Adam aanziet God, die hem zóó eenzaam laat.
;··i·§
Gods adem waait hem aan, Gods adem waait hem binnen,
in Adams borst gaat nu eenzelfde maat beginnen
totdat de aarde trilt, totdat de dieren trillen
voor zijn betraande oog, totdat een langzaam rillen
Eg hem overvalt, en eene zaligheid.
Hij is ter neer gestort en in een slaap gevleid.
En op dienzelfden stond de dieren weer beginnen
met voort te gaan, langs Adam die in ’t gras,
zoo glinsterend als de daauw, naakt en verloren was `
en in een damp gehuld van groote helderheid
daarin een almacht nu zijn eenzaamheid bevrijdt
en ’t wonder aan hem doet waarvan niet valt te spreken.
De dieren gaan voorbij, ter wederzij geweken
en zien het aan hoe God zijn menschenkind genas.
1 o