HomeDe zwerver spreekt en andere gedichtenPagina 38

JPEG (Deze pagina), 626.62 KB

TIFF (Deze pagina), 8.55 MB

PDF (Volledig document), 31.50 MB

DE PERSONIS IV. f
Z I
? ä
AAN ....
=._
Ik heb zoo vaak uw aangezicht, mün vriend,
Tersluiks aanschouwd, en mij dan afgevraagd, E
Wat heil gij eens aan lichte kimmen zaagt, ­=
En welken afgod gij geduldig dient.
Want naar het raadsel van uw trekken ziend,
i Die teeder zijn en nochtans onversaagd,
Is ’t me of een gulden glans uit deemoed daagt:
Een schijn van vreemd geluk, in leed verdiend. l
rd, O, ’t is wel, wül ge in wanhoop en in trouw, 1
Vragend niet meer dan een gehoorzaam kind, .
Uw peinzen richtend naar een verre vrouw,
In zaalge pijn staêge vertroosting vindt. Q
è Als een die, door fèl­vromen lust bezield,
Een zoete wonde heimelük bloedend hield. j
ï ä
i
g -33 j E
eni-