HomeDe zwerver spreekt en andere gedichtenPagina 37

JPEG (Deze pagina), 608.38 KB

TIFF (Deze pagina), 8.55 MB

PDF (Volledig document), 31.50 MB

x r
DE PERSONIS III. T
{ AAN JIM.
Bij zijn vertrek naar de voorschool van Harvard.
Dat weeke voorhoofd Staat nog blank gepannen,
En fulpen oogen fonklen lijn daaronder, ­-
Die zachte mond trekt bevend en bizonder,
Als wilde zich uw jonkheid reeds vermannen.
Een gloeiend heir van ongemeten plannen,
j Broeit achter teêre trekken, die straks ronder i
U Ontbloeien, als uw lichtend oog verkonder
’ Zal zijn van vuur, dat duisternis moog bannen.
A Nog schijnt ge een schildknaap, slank en ongedeerd, E
Maar hunkrend naar de wimplende tournooien,
_, Waar kampioenen schoonheids vaan ontplooien.
Ai, zult ook gij, wanneer gij wederkeert,
Q Door ’t slurpen van het zoet venijn versagen, 1
j ¥ En zwichten voor den Mammon dezer dagen!
Q
32 g
ë A
.
i ag"