HomeDe zwerver spreekt en andere gedichtenPagina 34

JPEG (Deze pagina), 560.17 KB

TIFF (Deze pagina), 8.57 MB

PDF (Volledig document), 31.50 MB

BIJ SCHILDERIJEN VIII. Q
HERMES. ;
Een Schilderij van Derkinderen.
Hij naakt, - de neevlen zijn ’t azuur ontvloden; !
H ’t Is of de dalen versche verwen vinden;
En zoenend kruiven zoete zeHer­winden ‘!
Zijn mantel op, den vlammend geel­en­rooden.
. !
_ Hij komt! Nauw raakt zijn vlugge voet de zode. !
Vleuglen­geschoeide en vogelen-gezwinde,
_, Zweeft =hij voorbij gelijk een ranke hinde,
Hij, Maja’s zoon, der Goden vuurge bode! !
Zoo laait, wat van de Goden tot hem kwam,
Vurig en snel als een rood-gouden vlam, Ai
· Den kunstnaar in de kaamren van zijn geest. !
En voor weer ’t flitsend fenomeen zal zwichten,
* Laat hij rondom, ­­­ op aarde een hemelsch feest! - IT
ä Een weerglans van die vlam in luister lichten. ä
29
lê I