HomeDeirdre & de zonen van UsnachPagina 51

JPEG (Deze pagina), 824.71 KB

TIFF (Deze pagina), 8.12 MB

PDF (Volledig document), 58.48 MB

ïf j
C .i
Men kon elkaar een wijle nauwelijks zien. Maar de
j ruwe dronken stem van Concobar bralde door. Hard
sloeg hij zijn leegen beker op tafel, roepende: L (
I ‘Die oude vrouw! Lavarcham! Ik liet haar roepen.
; Waar blijft zij ?’ ]
g Maar Lavarcham stond reeds bij den ingang van het ‘
vertrek. · · j
‘Ik ben gekomen, koning.’ ”
Zij trad in het licht van de vlammen. Schuw zagen ü
op de mannen omhoog naar het witte magere gelaat. . f
Maar Concobar rees langzaam overeind, en zag haar Z
' tartend in de stille, zwaarmoedige oogen. En hij riep ·
met een ruwe lach: ‘Wij drinken een vroolijken dronk, g
Lavarcham. Op mijn recht tegenover dien zoon van jl
I Usnach ! Daar drinken wij op !’ g
A En weer riepen verwarde stemmen: i
ï ‘Het recht van den koning !’ jl
En zij dronken. Luidruchtig werden weer de bekers ‘.;.
Q neergeslagen op de tafel. Toen was het daarbinnen stil. ,l
Y Concobar stond nog voor Lavarcham. Een oogenblik
hoorde men niets dan de storm om de hooge muren. I
Toen sprak zij, die daar stond en den dronken ko- .
Q ning aanzag: gi
i E ‘Ik kom van de muren daarbuiten. De zonen van · ïl
Usnach zijn teruggekeerd. Ik heb hen gezien. En ik
heb Deirdre gezien? ,
V ‘Ha! Gij hebt hen gezien ! En zij zijn naar de Roode I
l Burcht ?’
ä ‘Zij zijn naar de Roode Burcht, koning.’ §,‘
E ‘En Fergus? Is hij, zooals ik beraamde, achtergeble­ ik
ven bij het groote gastmaal van Borach ?’ jl
4-5
l
l
¤-