HomeDeirdre & de zonen van UsnachPagina 37

JPEG (Deze pagina), 866.28 KB

TIFF (Deze pagina), 8.05 MB

PDF (Volledig document), 58.48 MB


zijn minnares Deirdre, niet de verheven vrouw, die
uitzag in den nacht, en soms het hoofd neeg om hem X
te zien, waar hij sliep beneden naast haar. Hij wist . .
niet hoe dan haar oogen wijd en ver bleven, als van 1
wie peinst aan een verleden, dat zeer lief was. l
In die uren nam haar liefde afscheid van de aarde. I j
Eindelük, in een nanacht, woei van den opkomenden ` j
J storm van het einde de eerste droom ritselend in haar "
_ ziel binnen.
I Toen zij ontwaakte, zag zij, dat de dageraad begon- ·
nen was. Het ging een stille grijze dag worden. N oisa
sliep rustig. Zij zette zich overeind naast hem, en
zag uit door het venster, dat boven hun bed in den j
wand was. Onder zich hoorde zij het rustig ademen C
van haar minnaar. Buiten was de grijze stilte. Alleen,
nauw hoorbaar, een ruischen in de wijde verten, waar
het eiland ophield. [
Zij dacht aan de zee en aan het einde van alle dingen. ‘
Zij zat, en zag uit, en zij wachtte. Toen riep tusschen I
de zee en haar gelaat een verre stem: ;
‘Noisa, zoon van Usnach !’
Zij sloot haar oogen, maar zü bewoog haar hoofd ‘ 1
niet. Haar linkerhand legde zij achter zich op zijn g.
, voorhoofd. ontwaakte langzaam, maar meende " .'
nog te droomen toen hij boven zich voor het ven-
sterlicht haar blind gelaat zag, wit en zonder bewe-
ging. Hij zag dat zij sprak. IJl en hoog waren haar JE
woorden: . I
‘Ik heb een stem gehoord in de verte. Een man is
uit Ierland gekomen, en roept over de heuvelen.’ ‘
Toen klonk het weer en nu van minder ver: j
g sr
l