HomeIdyllePagina 26

JPEG (Deze pagina), 897.04 KB

TIFF (Deze pagina), 9.56 MB

PDF (Volledig document), 27.24 MB

sf. 7 Y www 4v_`_ J
J Als te slapen op een harden steen?
Bed. Vrijheid is zoeter dan een honigraat
En zachter dan een donzen bed, en dan,
Niet ieder, die een ander opraapt, kan L Mo
Zelf op de beenen blijven. Moed. Dat is waar. B
Onlangs stierf hier de vroedvrouw in het dorp, Mo
Toen ze in de kraam kwam van haar zesde kind. Mo
Bed. Een ieder is zich zelfde naaste niet, B
Maar eer zijn eigen vijand. Hoeveelmenschen Mo
Kennen hun eigen waarde ’t allerminst. j
Menigeen heeft een schat en weet het niet.
Je kent de fabel, hoe de haan ereis
Een parel vond en hem verruilen wou
Tegen een graankorrel. Moed. Dat zeg je wel,
Toen ik een meisje was .... Bed. Jammer, dat ik
Je toen niet kende. Moed. Vleier. Bed. Neen, in ernst!
Een vrouw als jij! Moed. Ik was zoo kwaad nog niet, B
Al zeg ik ’t zelf. Bed. Dat geloof ik, want je bent
Je beste jaren nog niet eens voorbij.
Moed. Loop heen. Hoor liever toe: Mijn vader vond
Bij ’t spitten in den moesgrond achter ’t huis,
Een bronzen pop en zette voor de grap, ’
` Het roestig ding onder den vlierboom; daar
Mikten mijn broers met erwten op zijn neus.
' Later ­- mijn vader was al jaren dood --
Kwam een rijk heer voorbij en zag het beeld ....
Bed. En toen .... Moed. Gaf hij drie goede goudstukken! B
Zijn slaven pakten ’t zoo voorzichtig in #

E3
.. ‘.;.,· M ,» .·. ._,»­~ ­, a< . . g..,;a,w- ~ .. . . er .4..... .. ...­· · A .. .......·. . · · .. . · ==¤-­­-"