HomeIdyllePagina 12

JPEG (Deze pagina), 891.66 KB

TIFF (Deze pagina), 9.46 MB

PDF (Volledig document), 27.24 MB

ii? i`
Gekroond met slijmig wier en bont geschelp
Opduiken wou, of °t scheemrig witte lijf
Van vrouwen, die in ’t groene waterhaar
Getakte kransen dragen van koraal
En plassen met den gladden schubbenstaart; `
Maar geen der wonderwezens kwam. En °k heb
Naar u verlangd - altijd aan u gedacht.
En gij ? Mei. Mij liet de dag geen droomenstijd.
Al voor zonsopgang spoedde ik naar de beek ]
Met andre meisjes, onder graag gezang
Dragend het nieuw gesponnen linnengoed. `
Toen werd gewasschen; om de middagstonde
Gebleekt -- toen huiswaarts, maar mijn moeder kent
Zoo gauw geen rust: de vijgen waren rijp,
Morgen is markt. Mijn rug van bukken stijl;
Rekte bij °t ijvrig plukken zich weer lenig;
Nu nadert de avond met het spinnewiel.
Kn. Arm meisj eliei, wanneer gij mij behoort,
Wanneer geen oude moeder u meer jaagt ....
Mei. Wanneer, wanneer is als het koekoekslied
In Mei, dat nimmer uitgezongen raakt.
Kn. Zoo zing het heden avond nog ten eind. ‘
Mei. Ten einde? .... Neen, het einde, dat gij wenscht, N
Kon licht voor mij ’t begin van erger zijn.
Kn. Vertrouw de toekomst en uzelf en mij:
Beneden ligt mijn boot, de zee is wijd,
Het wemelt aan de bochtenrijke kust
Van vrije visschersdorpen. Overal N
""­­­