HomeHet aangezicht der aardePagina 15

JPEG (Deze pagina), 856.33 KB

TIFF (Deze pagina), 9.60 MB

PDF (Volledig document), 41.22 MB

' , er .,. -,c-r-.”.a E ,--m r E r . , r r. r .r.....vaw . W. . _
DE HAVEN j
Wat lokt mij, droomer, °s avonds naar de haven,
C, In ’t voorjaar, als de merel kweelt en fluit? l
Vindt daar mijn armoede onvermoede gaven,
Zoekt daar mijn weemoed dagelijks zijn buit?
Ik weet het niet. Maar zooals in den morgen _;
F Mi`n sta zich richt naar ’t bruine voor`aarswoud j ,,,
_] _ _l » .
Waar mijn oog alles wat nog is verborgen z
Aan bottend groen vermoedt en reeds aanschouwt; "
äen Zóó, als de zonn’ge dag begint te kwijnen,
En schemert vóór mijn oogen kleurenmoe, j
Ga ik naar u, o haven, in het schijnen .
Van ’t late licht als naar een schuilplaats toe.
1
UW, Want elk geluid heeft hier een vreemd bekoren: ,
°t Gedruisch van ijzer op arduinen steen,
Het beiaardspel in eeuwenouden toren,
Der verre schepen klagende sireen; M
Het zijn al klanken van een stem, die spreken
F? Komt tot het hart door heimwee overmand,
Terwijl ik droom van overzeesche streken,
Als ware ik vreemdling in mijn eigen land. Q
Hoe kan wie rust zoekt bij dit nooden rusten?
Een kleine boot, die °t krijschend anker licht,
Voert me in verbeelding naar de verre kusten,
Naar nieuwe menschen en een blijder licht.
Ii,
i . ïw
i l
l
..,. . , U . , ,.. r , . A. 1. . _ , _ f 4 A Y ­­­-np G